STRUIKELEN OVER BEELD


Interview met Günter Rolff
(juni 1991)
Dirk Schouten

Günther Rolff leidt het Institut für Schulentwicklungsforschung in Dortmund. Elke twee jaar rapporteert hij over de toestand van het Duitse primair en secundair onderwijs en de lerarenopleiding. Hij publiceerde onder meer over socialisering van kinderen en het middenschoolonclenwijs, en schreef het schoolboek 'Mit dem Computer leben'. Dirk Schouten interviewde Rolff over zijn uitspraak in de forumdiscussie 'ervanng maakt dom'. Illustraties in schoolboeken voegen meestal niets toe aan de ervaring. Ze zijn er alleen ter decoratie. We moeten terug naar de ouderwetse aanschouwelijkheid in het onderwijs. De computer kan daarbij helpen.


Rolff's probleem is dat afbeeldingen tegenwoordig te gemakkelijk zijn, te gepoetst en te gestroomlijnd. Ze laten niets meer zien. Hij ziet steeds meer uitgevers boeken produceren zoals ze de kranten of de televisie kennen. Dat heeft een paar oorzaken. Onze kijk- gewoonten zijn bepaald door de televisie; we kunnen daar niet vrij van zijn. Ten tweede houden uitgevers rekening met de leerlingen en leraren. Die houden meer van geïllustreerde boeken. Daar zit het marktidee achter: het moet verkopen. Als je pedagogisch werkt en niet zuiver commercieel, dan heb je een idealistische opgave. Die is niet alleen dat te laten zien wat men toch al ziet en wat gewoon is en de kinderen ervaringen over te brengen die ze toch al hebben, maar hen te helpen zich verder te onrwikkelen, te helpen denken en er ook plezier in te hebben. Als je een goede redacteur van schoolboeken bent, dan kun je denken en plezier verbinden. Maar het lezen wordt steeds meer geatomiseerd.
In schoolboeken vind je tegenwoordig geen hele pagina tekst meer. Een tekst wordt verkuipt. Uitgevers van schoolboeken zeggen altijd: je moet niets maken dat langer is aan een pagina'. Op die pagina moet dan ook nog een kader voor de moeilijke woorden, voor een statistiek of een afbeelding. De narratieve tekst moet onderbroken worden. Daarmee verliezen we het zicht op het verloop van een tekst en kunnen we ons moeilijker inleven en ons er op concentreren. Kinderen zijn zo gewend om korte teksten te lezen dat ze de concentratie niet meer kunnen opbrengen die nodig is om een lange vertelling tot zich te nemen.
Maar schoolboeken zijn er opdat de scholieren daaruit iets leren. Het zijn leerboeken, het zijn geen boeken voor amusement of voor tijdverdrijf. Natuurlijk moeten ze leren op een manier die zo makkelijk mogelijk is, maar bepaalde dingen zijn niet makkelijk te leren. Er bestaat geen leer-luilekkerland. Leren doet ook vaak pijn. Leren gaat ook via omwegen en bittere ervaringen. Daarom denkt Rolif dat het niet goed is boeken alleen voor de markt te produceren, zich alleen op bepaalde trends te oriënteren. Die trend bestaat uit illustreren, uit een plaatjeswereld.

Decoreren
Rolif: 'We hebben in Duitsland schoolboeken geanalyseerd en hebben vastgesteld dat ieder schoolboek dat we onderzochten meer afbeeldingen had dan pagina's. We hebben er geen gevonden waar het anders was. Als het boek 200 bladzijden telde, had het 250 afbeeldingen, soms zelfs 370.
Comenius gebniikte ook veel afbeeldingen in zijn leerboek Didacta Magna. Maar daarbij verkondigde hij de theorie, die tot op heden relevant is, dat afbeeldingen in een pedagogisch verband iets moeten laten zien dat men zonder de afbeelding niet ziet. Mijn probleem met de schoolhoeken van tegenwoordig is dat ze eigenlijk niets nieuws, niets interessants laten zien, dat ze slechts illustreren, decoreren. Ik heb niets tegen afbeeldingen zoals we die uit de school kennen, die op een aanschouwelijke manier samenhangen laten zien. Of beelden die ideeën en inzichten, of het inwendige van dieren, of de binnenkant van machines tonen. Kortom, die dat laten zien wat zonder die beelden niet zichtbaar zou zijn.
Schoolboeken moeten geen geïllustreerde kranten zijn, waar afbeeldingen slechts stroomlijnen, waar ze slechts suggereren dat het makkelijk te begrijpen is. Beelden moeten ons voor alles laten zien dat je nog naar iets anders moet kijken. Beelden moeten iets zijn als struikelblokken. Je moet over een beeld struikelen. Je loopt zonder na te denken, plotseling struikel je omdat er op straat een tegel iets omhoog steekt. Ik denk dat afbeeldingen en goede didactiek je moeten laten struikelen en ons helpen anders te kijken en andere zaken te zien.
Wat een struikelblok is kan ik goed duidelijk maken aan een uitspraak die tot mijn lievelingszinnen hoort: 'Ervaring maakt dom'. Het is een uitspraak van Max Frisch, een Zwitsers dramaturg. Hij voegt er aan toe: 'Zoals we allen uit ervaring weten'. Het is een wonderimooie zin, een struikelblok. Hij zegt: 'Ervaring maakt dom', houdt een kleine pauze en zegt dan: 'Zoals we allen uit ervaring weten'. Hij weet dat ervaring belangrijk is, dat we zonder ervaring helemaal niets weten, maar hij zegt, als we de ervaring slechts in ons opzuigen, zoals een spons het water, dat we dan niets van onze ervanng leren, maar dat de ervaring dan eerder vaststelt wat we al wisten of voelden. Dan openen ervaringen niet ons blikveld voor iets nieuws.
Zo'n dialectische uitspraak 'Ervaring maakt dom, zoasl we allen uit ervaring weten' wil zeggen: we doen allemaal ervaring op maar velen leren er niets van. De een leert iets anders uit een ervaring dan iemand anders. Het is pas interessant als we praten over wat we uit onze ervaringen opmaken, als we discussiëren over wat een bepaalde gedeelde ervaring voor ieder van ons betekent. Wat betekende de Golfcrisis (gezamelijke ervaring) voor jou en voor mij. Als schoolhoeken, met behulp van afbeeldingen, in staat zijn ons in zulke ideeën te verwikkelen, als ze struikelblokken zijn, dan zijn beelden in boeken toe te juichen en hoeven ze niet bekritiseerd te worden.'

Samenhangen
'Een goed voorbeeld hoe het kan is de film Amadeus, over Mozart. In de film zie je hoe Mozart componeert en kun je leren hoe iemand dat doet. Bijvoorbeeld, op zijn sterfbed als hij met Salieri aan het Requiem werkt. Ze werken samen en we zien dat op zo'n manier dat het componeren als het ware gedeoomponeerd wordt. Op een analytische manier worden de afzonderlijke stappen zichtbaar gemaakt en je begrijpt wat het is om componist te zijn en te componeren. Toch is deze film geen bitter ernstige film. Over mijn stellingname wordt vaak beweerd dat ik te ernstig ben, leren moet makkelijk en plezierig zijn. Dat is heel goed mogelijk. Als je als didacticus goed bent, kun Je ook moeihjke problemen op een plezierige manier overbrengen. Zo'n film over Mozart doet dat.
Ik kan met het voorbeeld van Mozart iets duidelijk maken over het deconstrueren van beelden. Mozart's muziek is begrijpelijk gemaakt. Het is veeleisende muziek, die tegelijk ook makkelijk is. Dat doet die film op dezelfde manier als de muziek van Mozart. Mozart's muziek is makkelijk, je kan er op dansen, maar vraagt ook veel van je als je kijkt naar harmonieën en compositie. Ik denk dat je van die muziek pas echt kunt genieten als je een beetje begrijpt hoe ze geproduceerd is, hoe Mozart dat deed.
De vele technische beelden die we vandaag de dag zien, zowel van het journaal als van de weerkaart die uit een computergeheugen komt, daarvan weten we niet hoe ze geproduceerd zijn. De weerkaart is het beste wat ik op de televisie zie. De satellietbeelden zijn goed omdat ze samenhangen laten zien. Hoe depressies zich ontwikkelen, hoe ze zich verplaatsen, hoe het weer morgen zal zijn. Die beelden tonen samenhangen. Maar als je in het journaal beelden uit Libanon te zien krijgt van een oorlog, zegt je dat eigenlijk niets. Je ziet brandende auto's en huilende kinderen. Maar waarom er oorlog is weet je niet, je hoort geen achtergronden, geen samenhangen.
Het idee is om achter beelden te kijken. Met beelden zichtbaar te maken hoe je componeert en van computer- of tv-beelden te laten zien hoe ze gemaakt worden. Als ik weet hoe een videospelletje geproduceerd wordt, dan geloof ik dat ik geen gevaar loop ervan afhankelijk te worden of dom te zijn als ik het speel. Als ik zelf weet welke algoritmen erachter zitten en welke programma's, kan ik er plezier aan beleven en als ik dat wil kan ik er ook belastingprogramma's mee maken. Dat is de idee: achter de technische beelden kijken en de programma's ontdekken die erachter verborgen zijn.'

Aanschouwelijkheid
'In het basisonderwijs was aanschouwelijkheid een centraal thema. Het was belangrijk om aanschouwelijk te onderwijzen, met veel beelden, en voorbeelden te gebruiken. Vervolgens werd aanschouwelijkheid bekritiseerd omdat de aanschouwelijkheid leraargecentreerd zou zijn. Telkens als onderwijs aanschouwelijk is zou de leraar het domineren. De leraar zou de beelden tonen, de leraar zou de voorbeelden geven en dat is niet meer modern. De moderne pedagogiek is kindgecentreerd, de scholier staat in het middelpunt, het zelf doen van de leerling is belangrijk en daarom is aanscbouwelijkheid uit de mode. Terwijl aan de andere kant de televisiebeelden en ook veel afbeeldingen in schoolboeken hyperaanschouwelijk zijn. Ze zijn zo aanschouwelijk dat ze niet meer aanschouwelijk zijn. Als je oorlog laat zien en je ziet beelden van explosies en je hoort het geluid, je ziet steeds meer bloed en steeds meer close-ups van gruwelijkheden, dan ben ik niet meer zeker of op die manier duidelijk wordt wat oorlog betekent. Er zijn ook betere beelden voor. Er zijn 'zachtere' anti-oorlogsfilms die het lot van een individu laten zien. Maar kinderen lachen er om, als ze vertoond worden. Ze hebben al zoveel geweldfilms gezien dat het geen indruk maakt. Een goed voorbeeld is de film 'Dances with wolves'. Als daar bloed vloeit gaat het in zulke stromen, daar is de Rijn een beekje bij en als het regent, dan subtropischeregenbuit het. Het moet allemaal overdreven worden om het duidelijk te maken. Dat is hyperaanschouwelijkheid, de overdreven aanschouwelijkheid, een trend die je ook in schoolboeken, in schoolfilm, bij video's en in ieder geval bij televisie aantreft. Ik zou daar de aanschouwelijkheid in de pedagogie tegenover willen stellen zoals die in de negentiende eeuw gedefinieerd werd. Er waren toen vier pedagogische criteria die het principe van de aanschouwelijkheid nader zouden kunnen bepalen:
- De verhouding tussen levensnabijheid en vreemdheid moest gewaarborgd zijn. Niet alleen levensnabije beelden tonen, dat zou een verdubbeling van de realiteit zijn, maar ook niet te vreemde beelden, daar zou je niets in herkennen. Daar moest een balans tussen zijn.
- Ten tweede de verhouding tussen nabijheid en distantie. Dat is sowieso een grondprobleem van de pedagogie. De scholier moet ergens door geraakt worden, maar alleen maar getroffen worden is niet iets dat tot nadenken stemt. Daarvoor is ook afstand nodig.
- Ten derde de verhouding tussen abstract en concreet. Je moet niet alleen concreet zijn. Dat is een soort hyperrealisme. Maar abstractie, veralgemening, reductie, verschoven perspectief, is ook nodig. Abstractie alleen is ook niet goed. Als er niets concreets meer is, dan is er slechts een idee.
- Ten vierde is er de verhouding tussen volledigheid en onvolledigheid. Dat is moeilijk. Een beeld kan niet volledig zijn, het kan niet een idee in zijn volheid tonen, maar wel het wezenlijke. Maar dat wil zeggen dat er ook onvolledigheid moet zijn omdat het zich anders nier op het wezenlijke concentreren kan.
Deze vier oude criteria van aanschouwelijkheid, ze stammen van Herbert, Duits filosoof en pedagoog; die zijn vandaag de dag weer actueel. Want de technische beelden zijn niet dialectisch, die zijn eerder volledig, concreet, nabij en levensecht. In deze tijd van nieuwe technische beelden die ons overvallen moet het begrip 'aanschouwelijkheid' opnieuw gedefinieerd worden. Nu we veroordeeld zijn tot de hyperaanschouwelijkheid en niet terug kannen naar de wandplaten aan de muur met daarop de afbeeldingen van vogels. Dat is een grote opgave voor mediaproducenten. Computers zijn daarbij goed bruikbaar om beelden te retoucheren, met elkaar te verbinden of om het niet-zichtbare zichtbaar te maken. In de natuurwetenschappelijke films lukt dat prima, maar op sociale onderwerpen, politieke en menselijke verhoudingen, over vrede en de verhouding tussen natuur en maatschappij zijn er bijna geen geslaagde voorbeelden. We moeten de technische mogelijkheden gebruiken en ons beperken om niet alle mogelijkheden tegelijkerrijd te gebruiken'.